Floris van der Putt: zijn oeuvre

Naast dirigent, organist en leraar is Floris van der Putt altijd componist geweest. Wellicht een van zijn meest geliefde bezigheden, want de ‘vreugde om het scheppen’ straalt dikwijls van zijn werken af.
Opvallend is ook, dat bijna al zijn composities zijn ontstaan naar aanleiding van een gelegenheid, een opdracht, een verzoek of vanuit een geconstateerde behoefte. Componeren dus als een vorm van dienstbaarheid!

Floris van der Putt is van grote betekenis voor de ontwikkeling van de Nederlandstalige liturgische muziek in de R.K. Kerk die uitdrukkelijk is geschreven voor de gemeenschapsliturgie. Wellicht door de dominantie van de Werkgroep voor Volkstaalliturgie, die composities uitgeeft op teksten van Huub Oosterhuis en muziek van Bernard Huijbers én door de bescheidenheid van Floris van der Putt zelf, is hij een minder bekende naam gebleven. Zijn composities verdienen grotere bekendheid.

Beekvliet

Foto van het 40 jarig priesterfeest op 4 juni 1949.

In zijn Beekvlietse jaren maakt Floris van der Putt gelegenheidswerken waar het seminarieleven zo al om vraagt.
Dat zijn allereerst de vele liederen die het dagelijkse leven in zo’n internaat wat fleur moeten geven (bijvoorbeeld het schoollied Beekvliet, hou stroom!) met name ook bij allerlei feestelijke gebeurtenissen (bijvoorbeeld het veertigjarig jubileum van regent Goyaerts, zie foto).

Een lied van Harrie Beex en (hier nog) Louis van der Putt uit 1939. Floris schreef steevast in de aanhef: Ave Maria.
Een lied van Harrie Beex en (hier nog) Louis van der Putt uit 1939. Floris schreef steevast in de aanhef: Ave Maria.

Daar blijkt al dat het genre van het lied, met name het volkslied, hem het meeste ligt: daarin zal hij een meester blijken te zijn. Meer nog dan componist wellicht is hij een zanger, die feilloos aanvoelt, wat een gemeenschap graag zingt en aankan.
Al tijdens zijn studie trok Floris - in datzelfde Beekvliet - op met Harrie Beex (1914-1997), die hem zijn leven lang teksten zal leveren om op muziek te zetten.

Hij schrijft ook muziek bij de toneelstukken die op Beekvliet worden opgevoerd gebundeld in Toneelmuzieken bij Oresteia (Aeschylus), Elektra (Sophocles) en Alkestis (Euripides).

Voorkant van de CD van Muziek uit de Sint-Janskathedraal V.

Als muziekleraar op het seminarie krijgt hij ook de verantwoordelijkheid voor de muzikale invulling van de liturgie.
Dat daagt hem uit om ook voor de kapel te gaan componeren. Uiteraard zijn dat in die tijd met name gezangen op Latijnse tekst, zoals lofgezangen en motetten voor de Goede week. Veel verder dan de besloten seminariemuren komt deze muziek niet, met uitzondering dan misschien van het grootste proprium voor het feest van Maria Onbevlekt Ontvangen, Gaudens gaudebo, dat op 8 december 1945 zijn première beleeft, met student Maurice Pirenne aan het orgel. Dit proprium staat nog steeds op het repertoire van de Schola Cantorum van de Sint-Janskathedraal (ook op CD verschenen).

Volksliederen

Foto van het boekje den Brembos
Titelblad van ‘Den Brembos’.
Foto van bladmuziek.
Melodie van het lied ‘Van Hertog Jan’.

De volksliederen van Floris van der Putt behoren tot het algemene cultuurbezit van Nederland. Deze liederen op teksten van Harrie Beex zijn merendeels geschreven voor de cultuurvereniging Brabantia Nostra, die achttien ervan bundelt in een geel boekje Den Brembos (1947) overigens zonder vermelding van de namen van tekstdichter en componist. Zo willen de makers de suggestie wekken, dat het hier volksliedjes uit een ver verleden betreft; nog steeds veronderstellen mensen dat ze eeuwenoud zijn. Sommige liederen worden klassiekers en zullen een plaats krijgen in de bundel Nederlands Volkslied van Jop Pollmann en Piet Tiggers, zoals Toen de hertog Jan en Dubbele Jan, die ziede nie meer op de kermis staan. Ook het Carnavalslied voor Oeteldonk is van zijn hand.

Muziek voor de volkstaalliturgie

In het midden van de zestiger jaren doet in de R.K. Kerk de volkstaal haar intrede in de liturgie, die opnieuw wordt begrepen als een vieren van héél de gemeenschap. Als iemand die spontaan aanvoelt wat een grote groep mensen zingen kan, is Floris van der Putt de aangewezen man om hieraan een bijdrage te leveren. En hij doet dat van harte, want hij gelooft echt in de volkstaalliturgie. Wellicht is het feit dat hij juist in die tijd de culturele hoogstand van de Sint Jan inruilt voor een eenvoudige Brabantse dorpskerk een extra stimulans daarbij.

Foto van bladmuziek.
Melodie van de antifoon ‘Niemand leeft voor zichzelf’.

Op 14 mei 1966 wordt bisschop Bekkers begraven. Zijn uitvaart wordt - zo zal Floris van der Putt later zelf getuigen - aangegrepen als ‘dé kans, om te laten zien (televisie!) en horen, dat tijdens een begrafenisliturgie zang in het Nederlands heel goed mogelijk is’.
Voor het eerst klinkt dan zijn nu alom bekende antifoon: Niemand leeft voor zichzelf, een liturgisch-muzikaal kleinood dat min of meer model staat voor heel wat composities van zijn hand. Floris van de Putt weet mensen aan het zingen te krijgen en te houden met melodieën, die zo sterk zijn dat ze na jaren nog steeds graag in de mond worden genomen. Het is ook een van die gezangen, die voor een bepaalde gelegenheid gemaakt zijn, maar vanwege hun kwaliteit de weg naar het gangbare repertoire gevonden hebben.

Dezelfde bisschop Bekkers had Floris eerder gevraagd, om naast zijn strofeliederen ook eens iets anders voor de liturgie te maken.
Het wordt zijn Markusmis (Gooi en Sticht, 1966), oorspronkelijk gecomponeerd voor de zusters van de Choorstraat te ’s-Hertogenbosch, maar later in ons taalgebied geworden tot een van de meest gezongen Nederlandse misordinaria. Veel minder bekend en verspreid is zijn eerder geschreven Servaasmis (Annie Bank, 1965), waarvan de titel verwijst naar de Sint-Servatiusparochie te Lieshout, waarvan hij sinds 1965 de pastoor is.

Gepubliceerd werk

De periode van zijn verblijf in Lieshout vanaf 1965 is voor zijn composities de meest vruchtbaarste tijd. Vanuit allerlei gremia, kerkelijke en profane, vooral in zijn geliefde Brabant, weet men hem te vinden en wordt er een beroep op zijn creativiteit gedaan.

In opdracht van de Nationale Raad voor Liturgie schrijft hij voor de Nederlandse editie van het Altaarmissaal (1978) acclamaties en recitatieven. Ook zet hij een honderdtal prefaties op muziek en later, tussen 1986 en 1988, - op initiatief van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging (NSGV) - de lijdensverhalen van de vier evangelisten.

Foto van boekje Vuur en Vlam.

Reeksen gezangen componeert hij voor het bisdom Den Bosch, waar het Diocesaan Pastoraal Centrum – DPC en de Bossche afdeling van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging (NSGV) toen eendrachtig samenwerkten. Zo ontstaan gezangen voor het zilveren priesterfeest van zijn achterneef, bisschop J. Bluyssen, gepubliceerd in de partituur In vuur en vlam (Annie Bank, 1975) en de Sint-Jansliederen (partituur niet uitgegeven, 1977) en het Standvastig lied voor het afscheid van genoemde bisschop in 1984. Teksten voor deze gezangen worden aangeleverd door Harrie Beex, Adri Bosch en Cees Remmers.

Maar hij bezorgt met evenveel plezier een vereniging, dorp, kerk of klooster een passend club- of patroonslied. Soms zelfs een hele cyclus, zoals Lukas, een liturgie (Annie Bank, 1983) voor het jubileum van de Bossche Sint-Lucaskerk.

De uitgeverij Gooi en Sticht en de NSGV geven hem regelmatig opdrachten voor nieuwe composities. Deze vinden hun weg in bijvoorbeeld de Muziekbladen van het Praktijkschrift voor liturgie en liturgische muziek Continuo. In 1990 wordt daarin de allerlaatste compositie van zijn hand opgenomen: het Lied van de tien melaatsen op een tekst van Harrie Beex. Naast de eigen composities heeft hij ook veel orgelbegeleidingen bij liturgische gezangen op zijn naam staan.

In de R.K. liedbundel Gezangen voor Liturgie zijn gezangen van Floris van der Putt opgenomen in de afdeling psalmen, vaste gezangen en liederen. In het nieuwe ‘Liedboek’ van de protestantse kerken zijn ook gezangen opgenomen van Floris van der Putt: o.a. de genoemde Markusmis (behalve de geloofsbelijdenis) en de antifoon Niemand leeft voor zichzelf.

Overzicht oeuvre (deze lijst is niet volledig)

Niet-liturgisch oeuvre
  • Toen den Hertog Jan kwam varen
    (1947, Den Brembos, Brabantia Nostra)
  • Dubbele Jan die ziede nie meer op de kermis staan
    (1947, Den Brembos, Brabantia Nostra)
  • Van hupsakee, hopsakee, hoei
    (1947, Den Brembos, Brabantia Nostra)
  • Toneelmuziek
    (bij Aeschylus' Oresteia, Sophokles' Electra, Euripides' Alkestis)
  • Houd Oeteldonk voor altijd jong (carnavalslied voor Oeteldonk)
Liturgisch oeuvre
  • Lijdensverhalen (volgens Mattheus. Marcus, Lucas en Johannes)
  • Recitatieven en Acclamaties voor Altaarmissaal
    (Nationale Raad voor Liturgie)
  • 100 Prefaties
Latijnse werken voor het kerkelijk jaar